De Economische Betekenis, Winstgevendheid en Financiering van de Curaçaose Plantage
(Gepubliceerd in de krant Amigoe op 16 juli 2025)
In het vorige artikel zijn we ingegaan op de teelt van sorghum (maishi chikí) op de plantage. In dit artikel gaan we in op de economische betekenis, de winstgevendheid en de financiering van de plantages. De economische betekenis veranderde in de loop van de tijd. De winstgevendheid werd sterk bepaald door het al dan niet slagen van de oogst van sorghum. Wat betreft de winstgevendheid en de financiering van de plantages is gebruik gemaakt van het boek “Het Curaçaose plantagebedrijf in de negentiende eeuw” van W. Renkema.
Boek W. Renkema
DE ECONOMISCHE BETEKENIS VAN DE CURAÇAOSE PLANTAGE
De functie van plantages binnen de economie is veranderd in de loop van de tijd. In het begin ging het om de bevoorrading van het maritieme steunpunt van de West Indische Compagnie (WIC). Daarna moesten de slaven in het slavendepot worden gevoed. Vervolgens werd de voorziening van de stad met landbouwproducten belangrijker.
De bevoorrading van een maritiem steunpunt
Curaçao werd door de West Indische Compagnie (WIC) veroverd in 1634 ten einde een maritiem steunpunt te hebben in het Caribisch gebied. Direct na de verovering was men voor de voedselvoorziening afhankelijk van import uit Nederland. De eerste plantages, genaamd compagnieplantages, werden echter al snel door de WIC opgericht om te voorzien in de eigen levensbehoefte.
Vlag van de West Indische Compagnie (WIC) voluit de “Geoctroyeerde West Indische Compagnie” (GWC)
Voedselproductie ten behoeve van de slavenhandel
Tegen 1660 werd Curaçao een slavendepot. Vanuit Afrika werden slaafgemaakten aangevoerd die vervolgens vanuit Curaçao werden verkocht naar omliggende landen. Het eerste slavenschip dat slaafgemaakten naar Curaçao bracht was de Bontekoe. De Bontekoe arriveerde in 1657 met 191 slaafgemaakten aan boord. Daarna volgende vele andere slavenschepen.
De WIC zag zich genoodzaakt het aantal compagnieplantages uit te breiden ten einde te voorzien in de voedselbehoefte van de slaafgemaakten. In totaal negen compagnieplantages zijn opgericht. Dit waren Oostpunt, Duivelsklip, Koraal Tabak, Noordkant, Rooi Canarie, Hato, Piscadera, St. Marie en Lelienberg. Nadat de betekenis van Curaçao als centrum van de slavenhandel na 1700 afnam werd de noodzaak voor de WIC aan voedselproductie minder urgent. De compagnieplantages werden eerst verhuurd en daarna verkocht. De plantage Hato heeft nog een tijd gediend als buitenverblijf voor de directeur van de WIC. Dit alles betekent dat sommige plantages dus niet alleen een rol speelden wat betreft de slavernij op Curaçao maar ook een rol speelden wat betreft de slavenhandel.
Landhuis Hato in de huidige tijd
De voedselvoorziening van de stad
In periode rond 1660 nam ook het aantal particuliere plantages toe. Het aantal plantages nam toe tot meer dan 100. De plantages leverden landbouwproducten aan het groeiende Willemstad. Uiteraard produceerden de plantages ook ten behoeve van de mensen, tuinbouwgewassen en vee op de plantages zelf.
DE WINSTGEVENDHEID VAN DE PLANTAGES
Was een plantage winstgevend? Het antwoord op deze vraag is moeilijk te geven. De eigenaren van plantages hielden vaak geen adequate boekhouding bij. Gegevens zijn dan moeilijk te verkrijgen. Een aantal planters had ook inkomsten uit een andere bron. De plantage had dan meer betekenis als buitenverblijf dan als agrarische onderneming. Hieronder komen enkele algemene factoren wat betreft de winstgevendheid aan de orde.
De vakbekwaamheid en ondernemingszin van de planter
De vakbekwaamheid en ondernemingszin van de planter speelden een belangrijke rol. Savonet werd vakkundig geleid en leverde een ruim levensonderhoud aan de eigenaar. Het nabijgelegen Wacawa bezweek echter onder schulden. De meeste planters hadden geen behoefte aan experimenteren met nieuwe (export)producten zoals werd gestimuleerd door gouverneur Van Raders. Het ontbrak hun aan vakkennis en financiële middelen.
De vraag naar landbouwproducten
Als de handel en scheepvaart zich gunstig ontwikkelden nam de prijs van, en de vraag naar, landbouwproducten toe. In de jaren 30 en 40 van de achttiende eeuw bevond de handel zich echter op een dieptepunt en was het voor planters moeilijk het hoofd boven water te houden. De bloei van de handel in de jaren 50 en 60 van de achttiende eeuw daarentegen was voor de plantages in zijn algemeenheid een goede tijd.
Misoogsten
Misoogsten hadden funeste gevolgen voor de planter. Misoogsten als gevolg van een tekort aan regenval deden zich met de regelmaat van de klok voor. In de periode 1816 – 1900 deden zich in 44 jaren misoogsten voor, dus in ruim de helft van het aantal jaren! Ook kon zich sterfte onder het vee voordoen. Dit was met name het geval bij heel droge jaren. Bij minder droge jaren met toch nog enige regenval werd weliswaar geen sorghum geoogst maar kon men wel nog de niet volgroeide sorghumplanten gebruiken voor veevoer. Met name bij langdurige droge perioden deed zich veel sterfte onder het vee voor. Wat betreft de sterfte onder het vee zijn met name de volgende perioden berucht: 1820-25, 1832-34, 1840-44, 1858-59, 1867-69, 1882-85, 1888-89 en 1898 en enige daaropvolgende jaren. Ofwel, bijna elke decennium werden de plantages getroffen door sterfte onder het vee.
Extra inkomsten uit zout
Zoutplantages waren over het algemeen winstgevend. Zoutplantages produceerden naast dezelfde landbouwproducten als op andere plantages ook zout. Het zout leverde additionele inkomsten op. In de tijd van gouverneur-generaal Kikkert (1776 – 1819) bestonden onder meer de volgende zoutplantages: Fuik, Jan Thiel, Labadera, Parera, Groot Kwartier, Klein St. Michiel, Mt. Pleasant, Klein St. Martha, Groot St. Martha, Rif St. Marie, Siberie en Jan Kock. De laatste drie plantages begonnen met de zoutwinning nadat de zoutpannen in de Turks Islands in 1832 en 1833 door een orkaan waren vernield en de vraag naar zout uit Curaçao toenam.
Belastingen
De administratie van de kolonie moest door de ingezetenen zelf worden bekostigd. De meeste belastingen waren echter indirecte belastingen die werden opgebracht door de handel en scheepvaart zoals in- en uitvoerrechten, accijnzen, zegelrechten en waag- en tonnenrechten. Nadat Curaçao een vrijhaven werd, zijn sommige van deze belastingen afgeschaft. In 1828 werd daarom ter compensatie een nieuwe belasting ingevoerd die in de wandelgangen de grondbelasting werd genoemd. Dit was een belasting op onroerend goed gebaseerd op grond van de koopsom vermeld in de laatste transportakte. De grondbelasting leidde tot veel protesten van de planters en met name hypotheekhouders die tegen hun zin eigenaar werden van onroerend goed doordat hun debiteuren in gebreke bleven en onroerend goed als onderpand van de lening was ingebracht. Men vond het (terecht) onbillijk dat ze belasting moesten betalen over de vroegere veel hogere waarde van het bezit. De hypotheekhouders zagen namelijk vaak een deel van hun kapitaal en rente verloren gaan. Bovendien leverde in deze periode door slechte tijdsomstandigheden de plantages weinig inkomsten op. In 1844 is de belasting dan ook herzien en werd de waarde via periodieke taxaties vastgesteld.
HET VERKRIJGEN VAN FINANCIERING
Voor financiering van de plantage kon een planter terecht bij een aantal instellingen en bij particuliere hypotheekverstrekkers. De belangrijkste instelling was de overheidsweeskamer opgericht in 1696. Ondanks wat de naam zou doen vermoeden was de functie van de weeskamer veel breder dan alleen het beheren van de gelden van minderjarige wezen. De weeskamer was namelijk ook een hypotheekbank. In 1875 werd de overheidsweeskamer opgevolgd door de N.V. Curaçaosche Hypotheekbank. Veel plantages hadden hypotheken. Tussen 1816 en 1875 varieerde het door de Weeskamer op plantagehypotheken uitgezette kapitaal tussen 26% en 70% van het totale kapitaal aan uitgezette hypotheken.
De particuliere geldschieters zijn te verdelen in twee groepen. De eerste groep bestond uit vermogende kooplieden die bij gebrek aan andere mogelijkheden in hypotheken belegden. De tweede groep bestond uit vroegere eigenaren van een plantage die zich bij de verkoop van hun bezit lieten uitbetalen in de vorm van een hypotheekakte. De planters sloten echter liever een hypotheek af bij de overheidsweeskamer omdat de overheidsweeskamer niet op korte termijn het kapitaal terugvorderde. Men kon vaak jarenlang alleen volstaan met rentebetalingen.
In dit artikel is de economische betekenis en de rentabiliteit en financiering van de plantages aan de orde gekomen. In het volgende, en laatste, artikel gaan we in op het “paga tera” systeem dat werd ingevoerd na de afschaffing van de slavernij in 1863.
11. De Economische Betekenis, Winstgevendheid, en Financiering van de Curaçaose Plantage