De teelt van Maishi Chikí (Sorghum) op de Curaçaose Plantage
(Gepubliceerd in de krant Amigoe op 1 juli 2025)
In het vorige deel zijn we ingegaan op de exportproducten van de plantage. In dit artikel gaan we in op het hoofdgewas op de plantages. Dit is de sorghum die in het Papiaments “maishi chikí” wordt genoemd.
Sorghum (maishi chikí)
Photo credits: Gekweekte en nuttige planten van de Nederlandse Antillen (Fr. M. Arnoldo)
Funchi
Het werk op de plantages werd voornamelijk gedaan door slaafgemaakten. De slaafgemaakten moesten echter worden gevoed. Het hoofdvoedsel was funchi. Funchi werd gemaakt van de zaden van de sorghumplant. Sorghum (Sorghum bicolor) is een droogtebestendige graansoort. Sorghum is rijk aan vitaminen en mineralen. Sorghum heeft een hoog gehalte aan vezels, eiwitten en antioxidanten. Het is glutenvrij. Het zetmeel verteert langzaam waardoor het goed is voor het handhaven van het juiste niveau van suiker in het bloed. In zijn algemeenheid is de voedingswaarde van sorghum ook groter dan die van mais. Helaas wordt funchi tegenwoordig vaak van maismeel gemaakt.
Sorghum, het hoofdgewas op een plantage
Sorghum is een van de meest belangrijke voedselgewassen ter wereld. Sorghum wordt in het Papiaments “maishi chikí” oftewel “kleine mais” genoemd. Dit is niet zonder reden. De sorghumplant lijkt namelijk sterk op de maisplant die op Curaçao “maishi grandi” wordt genoemd. Het grote verschil zit in de bloeiwijze. Bij mais is sprake van kolven in de oksels van de bladeren met relatief grote zaden. Sorghum heeft daarentegen een pluim met zaden (in het Papiaments “tapushi” genaamd) op de top van de plant. De sorghumzaden zijn kleiner dan de maiszaden. Vandaar dus de naam “kleine mais” voor sorghum.
Tapushi maishi chikí
Photo credits: Prins Doran (Dokterstuin)
Sorghum is droogtebestendiger dan mais en daarom meer geschikt voor het hete en droge klimaat van Curaçao. Sorghum groeit ook beter op armere bodems en heeft minder mest nodig. Van sorghum bestaan meerdere varianten. Op Curaçao heeft zich een eigen variant ontwikkeld. Dit komt omdat Curaçao een eiland is en daardoor geografisch is geïsoleerd.
De waterbehoefte van sorghum
De teelt van tuinbouwgewassen zoals groenten en fruit en het laten drinken van het vee kon op de plantages geschieden met putwater. De hoeveelheid putwater was echter onvoldoende voor het irrigeren van sorghumvelden. De teelt van sorghum was daarom geheel afhankelijk van de regenval. De regenperiode op Curaçao valt in de maanden oktober tot en met januari. Dit was dan ook de periode dat de sorghum werd geteeld. Het zaaien gebeurde veelal in september net voor het regenseizoen of in oktober bij de eerste regenval.
Voor de teelt van Sorghum is in totaal 300 – 400 millimeter regen nodig. De gemiddelde regenval op Curaçao is 550 millimeter per jaar. Dit zou dus genoeg moeten zijn. Toch mislukte de oogst vaak door een tekort aan regenwater. De redenen hiervoor zijn:
- De regen moest vallen in de maanden oktober – januari. Regenval buiten deze periode telt niet mee.
- In de periode oktober – januari moet de regen gespreid vallen. Alles in één maand is juist schadelijk.
- De regen moet vallen op de akker waar de sorghum wordt geteeld. Op Curaçao is de regenval vaak lokaal. Op de ene plantage kon het regenen en had men een goede oogst terwijl op een andere plantage minder of geen regen viel met een misoogst als gevolg.
Als niet aan deze voorwaarden werd voldaan was de kans op een misoogst groot. Dit betekende dat de eigenaar van de plantage voedsel moest inkopen om de slaven te voeden. Op geheel Curaçao kon zich dan ook hongersnood voordoen na meerdere droge jaren waarin de oogst mislukte.
De teelt van Sorghum na de afschaffing van de slavernij
Ergo “Echi” Cijntje, auteur en inwoner van Savonet, herinnert zich de teelt van sorghum op Savonet uit zijn jeugd. Hij vertelt dat er twee soorten sorghum waren, namelijk de “pichipé” en de “karabama”. De pichipé kenmerkte zich met het feit dat de maistopjes (tapushi) een gesloten geheel vormden terwijl bij de karabama de maistopjes losjes van elkaar waren. Het meest geliefd was de pichipé. In de maand september van elk jaar werd meestal geplant om zo de regentijd af te wachten. Anderen wachtten de eerste regen af om hun zaden in de grond te planten.
Het zaaien gebeurde door het maken van rijen kuiltjes in de grond. In elk kuiltje werden enkele sorghumzaadjes gelegd. Vaak voegde men in hetzelfde kuiltje ook bonenzaadjes (bonchi) toe. De maisstengels werden meestal tussen de 1.80 en 2.00 meter hoog. Omdat je dus meer zaadjes per kuiltje had zie je vaak meerdere sorghumstengels bij elkaar. De bonchi van Curaçao is een klimplant. De bonchi kronkelde zich omhoog rondom de stengels van de sorghum. Naast een sorghumveld, en soms aan de randen van een sorghumveld, werd ook pompoen (pampuna, komkommer (konkomber) en watermeloen (patia) geteeld. Pinda’s werden meestal helemaal apart geteeld.
Tot ver na de afschaffing van de slavernij was een goede oogst heel belangrijk omdat sorghummeel het basisvoedsel was op Curaçao en zeker in de wijken buiten de stad. Tot in de jaren zestig kon men in de maanden oktober – januari overal in Banda Bou groene “kunuku’s” zien, allemaal volgepland met sorghum. De sorghumoogst werd traditioneel met de hulp van buren, vrienden en kennissen gedaan. De sorghumpluimen werden met een scherp mes afgesneden en in een zak gedaan die de oogster bij zich had. Voor elke planter werd een dag uitgekozen om zijn sorghum te oogsten. Dit ging gepaard met het spelen op de “kachu”, de hoorn van een stier, terwijl de vrouwen voor het eten zorgden. Meestal werd er dan een geit geslacht. Ook werd traditioneel rum gedronken. Nadat alle sorghum was geoogst werd dan het traditionele oogstfeest “Seú”, gehouden. De Seú-optocht, nu nog jaarlijks gevierd, is een directe culturele afgeleide van dit oogstfeest.
De sorghumpluimen werden in een zogenaamde “djogodó” bewaard, dat is een gedeelte van een kunukuhuisje dat geen deur had maar een klein raampje via welk men erin kon komen. Dit was om te voorkomen dat muizen en ratten de sorghum zouden eten. Van tijd tot tijd naar behoefte, werd de sorghum in een houten stamper “pilón” gestamd, waarbij de sorghumzaadjes loskwamen van de pluimen.
Daarna werd de mais verschoond. Dit ging in twee fases, namelijk “djadja” en “bencha”. Bij de djadja werden de resten van de tapushi met de hand uit de sorghumkorrels gehaald. Daarna begon het bencha. Hierbij ging men in de wind staan en werden de maiskorrels vanuit een hoogte van ongeveer een meter vanuit een emmer in een andere emmer gegoten. Tijdens dit proces werden de “bagás”, dat zijn de restjes van de omhulsels van de maiskorrels, door de wind meegenomen. Men moest hierbij voorzichtig tewerk gaan. Als de de “bagás” namelijk op de huid terechtkwamen veroorzaakten zij veel jeuk. Daarna was de sorghum klaar om gemalen te worden.
Tot in de jaren vijftig, en zelfs in de jaren zestig, waren er door de wind aangedreven sorghummolens. Het is jammer dat hiervan niets meer is overgebleven. Later kwamen er machines die door een motor werden aangedreven. Op Banda Bou gebeurde dat bij de LVV-post te Sta. Martha. Men bracht de sorghumpluimen er naartoe en na het machinaal verwerken kreeg men het sorghummeel mee. Men betaalde hiervoor een kleine vergoeding.
Nadat de sorghumpluimen waren afgesneden werden de stengels tot bijna bij de grond afgesneden. De afgesneden stengels werden als veevoer bewaard voor de droge maanden. Mocht het, na het kappen van de sorghum weer regenen, dan groeide de plant weer. Met een goede regenval kon men dan een tweede maal oogsten. Dit gebeurde echter heel weinig.
Op Curaçao wordt hier en daar nog steeds sorghum geteeld. Een van de landbouwers (kunukeros) is Prins Doran in Dokterstuin. Zie de bijgevoegde foto van zijn oogst. Hij liet weten dat in de huidige tijd hij het zaad inzaait op zijn akker gevolgd door het onderploegen van de zaadjes. Dit gebeurt door een tractor met een ploeg erachter.
Oogst maishi chikí
Photo credits: Prins Doran, Dokterstuin
In dit artikel is uitvoerig ingegaan op de teelt van sorghum. Sorghum was het hoofdgewas op de plantage. Als de oogst mislukte had dit voor de eigenaar van de plantage financiële consequenties. In het volgende artikel gaat we in op de economische betekenis, rentabiliteit en financiering van de plantages.
10. De Teelt van Maishi Chikí (Sorghum) op de Curaçaose Plantage