9. Exportprodukten van de Curaçaose Plantages

Het Curaçaose plantagebedrijf

Exportprodukten van de Curaçaose Plantages

(Gepubliceerd in de krant Amigoe op 18 juni 2025)

De meeste plantages produceerden voor eigen gebruik of leverden producten aan de stad. Een aantal plantages gingen echter nog een stap verder. Zij produceerden ook voor de export. Dit was echter niet gemakkelijk. Hierover meer in het onderstaande artikel.

Exportproducten

De export van landbouwproducten aan het buitenland heeft zich op Curaçao nooit goed ontwikkeld. Toch bereikte sommige plantages hiermee tijdelijk goede resultaten. Dit was met name het geval als de wereldprijzen van de betreffende exportproducten hoog waren. Helaas vielen de resultaten op de langere termijn vaak tegen door gebrek aan afzetmogelijkheden, lage prijzen, droogte en ziektes. De export van plantageproducten is hierdoor nooit tot bloei gekomen.

Als een van de weinigen heeft Gouverneur Van Raders (1836 – 1845) zich ingezet voor de export van plantageproducten. De in 1837 door de overheid gehuurde, en in 1839 gekochte, plantage Plantersrust werd ingericht als modelplantage. Hier werden proeven gedaan met gewassen, zoals Cochenille en Aloë, bedoeld voor de export. Ook stimuleerde Van Raders de zoutwinning. Van Raders’ initiatief viel overigens niet altijd in goede aarde bij de handelselite in de stad. Men zag Curaçao als een handelseiland. Gezien de geringe regenval achtte men bovendien het potentieel voor landbouw klein.

Het succes van plantage exportproducten was inderdaad beperkt. Desondanks is het wel interessant hieraan wat meer aandacht te geven vanuit historisch en cultureel oogpunt en gezien de impact op het landschap. Hieronder komen enkele van de plantage exportproducten aan de orde.

Zout

Curaçao is veroverd op de Spanjaarden door de West-Indische Compagnie (WIC) in 1634. De WIC hield zich bezig met kaapvaart en had behoefte aan een maritiem steunpunt. De WIC was echter ook op zoek naar een goede bron van zout voor onder meer het haringkaken. Bij het haringkaken worden direct na de vangst de ingewanden en de kieuwen van de haring verwijderd. Daarna wordt de haring bewaard in heel zout water. De haring bederft dan niet. Het zout werd op Curaçao door de WIC en later door de particuliere plantages gewonnen in zoutpannen. Men bouwde daarvoor lage muurtjes in een baai. Hierdoor werd een deel van de baai opgedeeld in compartimenten. Voor de zoutwinning werden deze dan afgesloten. Het water verdampte en het zout bleef achter. In de baai van Rif St. Marie lagen bijvoorbeeld de zoutpannen van de plantages Hermanus, Siberie, Jan Kok en Rif St. Marie. Het zout werd door slaafgemaakten opgeschraapt en in zakken gedaan. Het werken in de zoutpannen was heel hard werk vanwege de hitte. Het door het witte zout gereflecteerde zonlicht veroorzaakte ook oogproblemen. De zakken met zout werden door schepen opgehaald (zie de bijgevoegde foto). Daarmee werd zout het eerste exportproduct van Curaçao.

 

Verschepen van zout vanuit Santa Martha (1903)

Foto Credits: Soublette

Brazielhout

Brazielhout was voornamelijk afkomstig uit Brazilië, dat daaraan ook zijn naam ontleent. Brazielhout kwam echter vroeger ook veel voor op Curaçao. Het kappen van brazielhout was al begonnen in de Spaanse tijd. Dit hout kan worden gebruikt voor de productie van een rood pigment. Dit rode pigment werd onder meer gebruikt voor het kleuren van textiel. Het hout moest daartoe wel eerst worden geraspt. Dit gebeurde in het verleden in Amsterdam door mannelijke gevangenen in het zogenaamde “rasphuis”. De grootschalige kap van brazielbomen op Curaçao heeft een negatieve impact gehad op de natuur vanwege de hiermee gepaard gaande ontbossing.

Het Rasphuis uit “Beschrijvinge der wijdtvermaarde Koopstadt Amstelredam” (Melchior Fokkens)

Pokhout

Ook de Wayaca (Guaiacum officinale) werd gekapt. Het hout van de wayacaboom wordt ook wel pokhout genoemd. Een extract van het hout werd in het verleden namelijk als medicijn gebruikt tegen de Spaanse pokken (syfilis). Pokhout is een heel zware en taaie houtsoort. Door haar gewicht zinkt dit hout in water. Pokhout werd in het verleden onder meer gebruikt voor de productie van katrollen en schroefaskokers van kleine schepen in binnen- en buitenland. Het is zo vettig dat de katrollen en de schroefas niet gesmeerd hoefden te worden. Alle Guaiacum-soorten staan tegenwoordig op de Cites II lijst zodat zij alleen met een vergunning geëxporteerd mogen worden. Ook de kap van wayakabomen heeft geleid tot ontbossing.

Dividivi

De dividivipeulen zijn de vruchten van de Watapana (Caesalpinia coriaria). De watapanaboom wordt daarom ook Dividivi genoemd. Deze boom heeft een karakteristieke groei met de wind mee. Rijpe dividivipeulen bevatten looizuur dat werd gebruikt voor het looien van huiden. Voor het looien van huiden werd in Europa eikenbast gebruikt. Toen hieraan een tekort ontstond werden dividivipeulen geëxporteerd naar Europa als aanvulling op de eikenbast. Het oogsten gebeurde door de op de grond liggende peulen op te rapen. Op de plantages zelf ging men op een verantwoorde wijze om met de dividivibomen. Op de domeingronden was dit wel eens anders vanwege de geringe controle op deze publieke gronden. Onrijpe peulen werden soms met stokken uit de boom geslagen. Ook werden af en toe hele bomen omgehakt om de peulen te plukken. Onrijpe peulen werden soms in de grond begraven zodat ze bruin werden en als rijpe peulen verkocht konden worden. Dit alles kwam de kwaliteit, en daardoor reputatie, van het product niet ten goede. Dividivibomen werden ook gebruikt voor de houtskoolproductie.

Indigo

Indigo is een blauwe kleurstof die wordt gewonnen uit de Indigoplant (Indigofera tinctoria). Deze kleurstof werd gebruikt voor het kleuren van textiel. Op meerdere plantages werd Indigo verbouwd. Het winnen van de blauwe kleurstof uit de indigoplanten gebeurde in zogenaamde indigobakken (bak’i blous in het Papiaments). Omdat hiervoor veel water nodig was stonden de indigobakken altijd bij rooien en/of putten. Een indigobak is feitelijk een stelsel van drie bakken op verschillende hoogtes in een rij. Men vulde de bovenste bak met water. De indigoplanten werden in deze bak gedaan en verzwaard met blokken hout. In deze bak liet men de planten fermenteren. Het blauwgekleurde water werd geleid naar de tweede lagere bak waar men het water roerde. De indigobolletjes zonken dan naar de bodem. Het proces werd herhaald in de derde bak. Het bezinksel werd uit de bak geschept, gedroogd en vervolgens geëxporteerd. In de Curaçaose cultuur wordt de indigokleurstof (blous) ook gebruikt voor het afweren van het boze oog. Het wordt nog steeds verkocht in de botica’s, alhoewel dat nu een chemische variant zal zijn..

 

Indigobakken bij Zevenbergen (twee stelsels)

Foto: Paul Stokkermans

Cochenille

Cochenille is een karmijnrode kleurstof. Deze kleurstof wordt gewonnen uit de zogenaamde cochenilleluizen. Deze luizen konden wel 1.5 centimeter groot worden en leefden op de naaldloze Nopalcactus (Nopalea cochenillifera of Opuntia cochenillifera ). Een aanplant van nopalcactussen noemde men een nopalerie. De cochenilleproductie was echter problematisch omdat een nopalerie pas na 3 jaar rendement opleverde, en de productie geteisterd werd door droogte en ziektes. De markt voor cochenille droogde op met de komst van de synthetische anilinekleurstoffen. Savonet was een van de eerste plantages met een zogenaamde nopalerie. Deze nopalerie werd in 1836 aangelegd door eigenaar van Savonet, Mathias van der Dijs.  

 

Aloë 

Aloe cultivation is not difficult because aloe plants do well in Curaçao. The process of making aloe resin for export was straightforward. They cut off the aloe leaves and put them in drip trays. The juice collected at the end of the drip tray was then boiled in copper kettles. The thickened juice was poured into gourds or boxes, where it solidified into aloe resin. But exporting aloe resin wasn’t always a hit. There wasn’t always a big demand for it internationally, so the prices were low, except for a few good years.

 

Aloëlekbakken (1930)

Foto Credits: P. Wagenaar Hummelinck

Huidig potentieel plantage exportproducten

Kan in de huidige tijd iets worden gedaan met dit interessante verleden? Aloë is inmiddels wederom een exportproduct geworden getuige het succes van de Aloe Vera Farm met een indrukwekkende reeks producten. Wellicht dat de andere exportproducten die in dit artikel aan de orde zijn gekomen meer aandacht kunnen krijgen in musea of wellicht ook in demonstratieprojecten voor lokalen en toeristen.

In het volgende artikel zullen we ingaan op de teelt van Sorghum (maishi chikí) op de plantages. Sorghum was het hoofdgewas. Van Sorghum werd funchi gemaakt. Funchi was van cruciaal belang voor de voeding van de slaafgemaakten op een plantage.  

Paul Stokkermans 21 juni 2025
Deel deze post
Labels
Archiveren
Aanmelden om een reactie achter te laten
8. Bouwmaterialen op de Curaçaose Plantage
Het Curaçaose plantagebedrijf